Blog


Zolder - Jonah Falke

Zolder 04-01-2017

Twee jaar geleden kwam ik in contact met een oude vrouw die een blok verderop woont. Een van de eerste dingen die ze vertelde was dat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken had gezeten, vlak bij de plek waar ik opgroeide, de Achterhoek. Die tijd daar noemde ze hemels.
 

Deze column is ook te beluisteren, ingesproken door Jonah Falke zelf.

De vrouw vertelde ook dat ze een van de eerste columnisten van Nederland was geweest. Ze had in de jaren zestig wekelijks geschreven over het opvoeden van haar kinderen voor de Libelle.

‘In die tijd was een corrigerende tik verkopen aan een kind niks bijzonders,’ zei ze. ‘Maar mijn man ging te ver, hij heeft onze dochter een keer van de trap gegooid, dat heb ik nooit opgeschreven.’

Ik zweeg en knikte zo vriendelijk mogelijk.

Een jaar geleden leende ik haar het boek Dit kan niet waar zijn: Onder bankiers, van Joris Luyendijk. Over Luyendijk zei ze: ‘Weet je, die jongen blowt, om af te schakelen, maar drinken doet hij niet, vreemd hè?’

Het boek heeft ze net uit. Want ondanks haar hoge leeftijd heeft ze een druk bestaan. Morgen ga ik bij haar eten.

Rond 2009 drong de crisis in Nederland – en ook bij haar – door. Ze zei een paar honderd euro per maand tekort te komen. Waar haar geldgebrek ineens vandaan kwam, weet ik niet. 

De vrouw is slim, ze bedacht een plan. Ze verhuurde haar zolder aan een meisje. De badkamer en het toilet op haar eigen verdieping zouden ze moeten delen. Dat vond het meisje geen probleem.

De laatste keer dat ik haar bezocht zei ze: ‘Je mag haar kamer wel zien, hoor.’

‘Dat hoeft niet.’

‘Nee kom, we gaan kijken, ik wil het ook wel eens zien.’

We gingen naar zolder.

In onze buurt – de Rivierenbuurt in Amsterdam – woonden vóór de Tweede Wereldoorlog veel joden. De meesten keerden niet terug.

We bekeken de zolderkamer van het meisje, het leek alsof die geplunderd was. Op de grond lagen onderbroeken die ons met de onvriendelijke kant aankeken en het aanrechtje stond vol afwas.

‘Hier kan ik niks van zeggen, toch?’

‘Lijkt me niet, nee,’ zei ik.

‘Ze lijkt wel een beest.’

Het was ongemakkelijk om naar andermans persoonlijke spullen te kijken zonder dat diegene er weet van had.

Tot in hoeverre is het wenselijk om je aan regels te houden? Als er weinig regels zijn, verschuift de moraal misschien automatisch. De vrouw permitteerde zich privileges, het meisje betaalde weinig huur, vrijheid is wellicht duur.

Als ik morgen met haar eet zal ik vragen: ‘Heb je nog steeds last van ongedierte op zolder, of ben je er inmiddels van gaan houden?’