Blog


Gefoefeld - Jonah Falke

Gefoefeld 06-07-2017

Afgelopen weekend organiseerde ik samen met drie vrienden een feestje in discotheek Cocagne te Ulft. Dit deden we onder de noemer: Het Grote Vale Foefel Festijn. Het woord foefelen betekent zoiets als: niet te werk gaan zoals het hoort, slecht of slordig werken, vlug of heimelijk verbergen; wegmoffelen.

    Het feest was ter ere van onze verjaardagen, en het idee werd geboren uit de hekel aan verjaardagen. Afgelopen zaterdag werden we met z’n vieren, op de kop af, een miljoen minuten oud.
    Voor mij persoonlijk is het grootste euvel om iets te vieren de angst dat er niemand komt. Als je dat risico spreidt over vier personen wordt die kans kleiner óf de deceptie juist groter. Maar de eventuele waarheid bleek in het midden te liggen: er kwamen mensen.

Als vermaak waren er paaldanseressen, livemuziek, leverworsten, wodka, een man met een trekzak, een voordragende schrijver en een DJ. Maar een prostituee - die naakt met een grote schaal leverworst zou rondparaderen - haakte af.
    Ze schreef vlak voor aanvang: ‘Het lukt niet vanavond, wordt mij te laat, ik werk maar tot 22:00 normaal. Sorry. Groet C.’
    De vrouw was een oude bekende van een van mijn vrienden.    
    Hij zei: ‘Ze is pas gescheiden en ze kan haar kinderen niet te lang alleen laten.’
    Een kind verwaarlozen om met een schaal leverworst rond te lopen leek me inderdaad onnodig en bovendien niet erg feestelijk.
    Ik schreef haar terug: ‘Jammer, tot de volgende keer!’
    Al waren er mensen op het feest die daar anders over dachten. Zowel mannen als vrouwen vroegen in de loop van de avond: ‘Waar blijft die leverworstmevrouw dan?’
    Bij velen was de teleurstelling op hun gezicht onherstelbaar.
    Een man zei: ‘Wat een kutfeest, ik wil mijn geld terug!’
    Toch bleef hij tot het weer licht werd buiten. Hij danste de hele avond opzichtig en boos en riep meermaals: ‘Kutfeest!’.
    Een vrouw zei wat rustiger maar eveneens zwaar ontgoocheld: ‘Er is een groot verschil tussen het gehalte mannen en vrouwen. Ik ga maar eens naar huis, dan kan ik morgen nog hardlopen.’
    Dronken stiefelde ze de discotheek uit.

Een weldenkende vriend met wie ik de gasten, teleurgestelde gasten, gade sloeg zei: ‘Mensen zijn niks meer dan aandachtzoekers.’
    Het woord hoeren nam hij niet in de mond. Maar ook dat had gekund. Want onlangs leerde ik van mijn uitgever, die ik eveneens als een verstandige man van weinig woorden beschouw: ‘Mensen zijn allemaal hoeren, maar niemand wil een crackhoer zijn, toch?’
    Het leek me waar.
    Wat later tijdens dat gesprek zei hij niet geheel willekeurig: ‘Mensen willen meestal aandacht of liefde, maar ik ben niet op zoek naar liefde.’
    Hij aarzelde kort en verbeterde zichzelf, hij zei: ‘Ik ben niet per se op zoek naar liefde.’

Van dat feest meen ik één ding te hebben geleerd: ook in foefelen schuilt liefde.