Blog


Brandstapel - Jonah Falke

Brandstapel 22-08-2017

Een jaar geleden sprak ik een vrouw uit Groningen. We hadden het over haar werk in de thuiszorg. Erg blij met die baan was ze niet.
    Ik vroeg of ze ander werk ambieerde. 
    Lachend zei ze toen: ‘Loempia’s vouwen, dat lijkt me wel wat, dankbaar werk ook.’ 


Een week geleden zag ik haar weer. Over werk spraken we niet. Ik vroeg hoe het nu ging, in het algemeen. In plat Gronings antwoordde ze: ‘Als je goed over het leven nadenkt, word je knaldepressief.’ Er volgde een vette lach en ik lachte mee. Het was fijn om haar weer terug te zien en haar Gronings maakte de dingen helderder. Ik luisterde graag naar haar, ik luister graag naar mensen, zeker als ze over het leven spreken. Pas als iemand niet meer spreekt, wordt het gevaarlijk.  

We hadden het over voeding en gezondheidsgoeroes. Ze zei een vrouw te kennen die 'ziekelijk' geobsedeerd was door voeding. Zelfs toen haar man op sterven lag, kwam de vrouw met een potje biologische jam voor hem aanzetten. “Ik heb jam gemaakt, zonder suiker, heel puur!” Ik kon haar toen wel een knal voor haar kop verkopen. Mijn man at al weken niet meer.’
    Ik zei: ‘Als mensen voedingsadviezen als heilig gaan beschouwen, lijkt het soms net op het eindstadium van deze beschaving. Het gaat dan gewoon erg goed met ze, denk ik.’

Misschien dwong haar Gronings me tot zulke boute uitspraken, geen idee. Als iets of iemand naar religie of dogmatiek riekt, ontstaat er binnen de kortste keren constipatie, jeuk of onverdraagzaamheid bij anderen. Maar ook de vastgeroeste praktiserend atheïst kun je niet te lang serieus nemen, volgens mij. Wat is wel wenselijk? Een agnosticus? Misschien? Wellicht.

Iets later zei de vrouw zonder aanleiding: ‘Wat ik vervelend vind aan mezelf is dat ik zo stellig kan zijn. Daar wil ik mee ophouden.’
    Ik knikte. 
    Om stelligheid te voorkomen is het misschien verstandig om alle meningen op de brandstapel te gooien en te kijken of ze het vuur overleven. 

Gelouterd gingen we uit elkaar. ‘Tot volgend jaar,’ zei ik.