Blog


Hulpverlener - Jonah Falke

Hulpverlener 08-02-2018

Een vriendin sprak over haar vriend die hulpverlener is. Vroeger verschoonde hij bejaarden, tegenwoordig werkt hij met autistische jongeren.

Ze zei: ‘Er zitten alleen jongens in zijn opvang. Autistische meisjes komen minder vaak voor. Vrouwen kopiëren veel eerder het gedrag van andere vrouwen. Als ze zien dat een andere vrouw iedere dag doucht, doen ze dat ook. Vrouwen zijn veel flexibeler.’

Ik vroeg of dat kopieergedrag vrouwen ook gelukkig maakte.

‘Geen idee, maar wel schoon.’

Ze zei dat haar vriend door het wassen van bejaarden een hekel had gekregen aan mensen die stinken of vies zijn. Wellicht had hij gewoon een hekel aan mensen gekregen maar durfde hij dat haar niet te zeggen.

‘De meeste jongens daar zijn bang voor water, veel te veel prikkels, helpt ook niet echt mee.’

 

De stank zat ook haar kennelijk hoog. Wellicht nam haar vriend er altijd een zweem van mee naar huis. Ze vertelde dat zijn cliënten aan het begin van de week een envelopje met weekgeld krijgen. Aan het eind van de week moeten ze het weer inleveren.

Ze vertrok haar gezicht en zei: ‘Aan hoe vuil de enveloppen zijn schijn je de persoon te kunnen herkennen.’ Ik lachte en zij schudde ernstig haar hoofd.

 

Later vertelde ze dat sommige van die jongens weleens psychotisch worden. Als dat gebeurt wordt er een busje gebeld.

‘Maar een paar zijn zich zo bewust van de situatie dat ze doen alsof er niks aan de hand is als ze worden gehaald.’

‘Is dat geen teken van gezondheid of genezing?’ vroeg ik.

‘Weet ik niet, maar mijn vriend heeft collega’s die een psychose wat aanwakkeren door te zeggen: staat die man daar nog in de hoek van de kamer?’

Nu begon zij te lachen en ik vroeg met overslaande stem: ‘Dat kan toch niet?’

Misschien was ik te naïef.

Lachend zei ze: ‘Soms is dat echt nodig, want als ze niet worden opgehaald kunnen ze de hele boel kort en klein slaan. En dan kun je dat busje weer gaan bellen.’

Ik dacht van alles maar ik zei niet veel. Het afvoeren van ingewikkelde mensen kwam me voor als het afvoeren van afgedankte dieren naar een asiel. Alleen als je lief bent word je geaaid en verzorgd.

 

Ze stond op en ging naar het toilet. Ik keek de woonkamer rond om te zien of het er vuil was. Er was niets te zien, of het werd gewoon goed verborgen.

Om anderen zo min mogelijk lastig te vallen, is het verstandig om je te wassen, op te ruimen en andermans gedrag te kopiëren. Maar wat er van mensen overblijft als ze onzichtbaar zijn en naar zeep ruiken, is me een raadsel.

Toen ze terugkwam van het toilet streek ze haar natte handen af aan haar broek en vroeg:

‘Heb jij eigenlijk in je vruchtwater gepoept?’

‘Wat?’

‘Daar schijn je autistisch van te kunnen worden.’

Ik beloofde het mijn moeder te vragen en ging toen naar huis.