Blog


Mistral - Jonah Falke

Mistral 22-03-2018

In Griekenland was vanuit de tuin de besneeuwde bergtop van de Olympus zichtbaar, in de tuin van dit kasteel de Mont Ventoux. Een dag of wat na terugkomst uit Griekenland vertrokken mijn vader en ik alweer naar Frankrijk. Hij ging er muziekopnames maken in het kasteel Chateauneuf-de-Gadagne, net buiten Avignon. Mijn aanwezigheid leek met de dag vager te worden. Ik probeerde te werken of uit te rusten maar slaagde daar niet in.

Waar ik me op betrapte de laatste dagen is: niets liever willen dan vluchten. Bijna elke sociale aangelegenheid – dineren aan een tafel met vreemden bijvoorbeeld– giert het onbehagen. Ik was te veel weg en vooral nergens geweest. Al nachten achtereen sliep ik in een ander bed in een andere stad.  

Het kasteel was prachtig maar er leek op het eerste gezicht weinig over te zeggen. Iets dat al genoeg bewonderd wordt, als een vrouw die weet dat ze mooi is, heeft doorgaans een minder toegankelijk karakter. Geen idee, wellicht was het vermoeidheid. We zouden de hele week in het kasteel zijn, behalve de eerste nacht. Het appartement-gedeelte was nog verhuurd.

De eigenaresse van het kasteel zei: ‘De plek waar jullie verblijven, daar hebben veel dichters en kunstenaars gezeten om het dialect van de Provence te bewaken. Wellicht interesseert je dat.’
Op dat moment bekoorde het me weinig. We lieten de opnameapparatuur achter en gingen weer.

De eerste nacht sliepen we bij een oude vrouw in een buitenwijk van Avignon, net buiten de vestigingsmuren. Op Airbnb schreef ze ons: “Als ik er niet ben, de huissleutel ligt in de buik van de rode haan.” Zouden we een kippenhok aantreffen? De waarheid bleek helaas minder absurd. De vrouw was thuis. Ze kwam naar buiten, gaf ons een hand en wees lachend op een porseleinen haan. Binnen een tel was het bekeken: de vrouw zou niemand kwaad doen. Net als haar handen waren haar ogen zacht en vriendelijk.

We gingen het huis in en ze zei: ‘Mijn huis heeft een ziel.’ Het was een oud huis. Over een buurman die met een decoupeerzaag in de weer was zei ze: ‘Hij houdt zo wel op.’
Er was geen woord van gelogen.
Binnen, in de keuken, stond een andere vrouw de afwas te doen en naast haar lag een baby in een kinderwagen te brabbelen. Mijn vader zei: ‘Het is het net het echte leven hier.’

Kort nadat de vrouw ons naar de gastenkamer bracht liet ze ons alleen. Een goede gastvrouw weet altijd precies wanneer ze zich wel en niet hoeft op te dringen.
We pakten onze koffers uit en in het trappengat galmden de stemmen van de oude vrouwen. Ze zeiden: ‘Koe koe’ tegen de baby. Ook hoestte er een van de vrouwen soms. Mijn vader vroeg zich zonder ironie af of het een blaffende hond was.

Voor het slapengaan las ik even in een reportage uit In het land van de eeuwige zomer van Joseph Roth over Avignon. De man was overal, en is er nog steeds een beetje als je hem leest. Hij schreef over Avignon: ‘Van pure bewondering zou je haar vergeten aan te vallen.’ En over de gebouwen: ‘Avignon is de witste stad ter wereld.’ ‘Als ik paus was, ik zou in Avignon willen wonen.’ Maar de vermoeidheid won het van de nieuwsgierigheid. Zonder het eind van het verhaal te lezen viel ik in slaap.  

De volgende ochtend liet ik mijn vader slapen en ging ik naar beneden. Onderaan de trap, alsof ze me verwachtte, stond de huisbazin. Ze gaf me direct een hand en vroeg of ik goed geslapen had en koffie wilde. Ook zij had goed geslapen. Ze kwam bij me zitten en vertelde dat ze geografie had onderwezen aan de Universiteit van Aix en Provence, maar nu met pensioen was.
‘Retraite? What’s that in English?’ vroeg ze.
‘Retirement?’
‘Ugh, that sounds so horrible, after that there is only the tomb, don’t you think?.’
We lachten.

Bij haar aan de keukentafel wilde ik allesbehalve weg. Haast was ik vergeten hoe het voelt om op je gemak te zijn.
Onwillekeurig zei de vrouw dat het een raar jaar was. Ik vroeg door, ze begon ze te vertellen dat haar vader een week geleden stierf, hij was bijna honderd. En sinds kort lag haar man in een coma.

Ze begon te huilen, verbeet zichzelf, zocht naar lucht en zei: ‘En, ik heb suikerziekte. Morgen moet ik naar het ziekenhuis, ze overwegen een insulinepomp. Ook kan ik net weer lopen. Ze zijn hier met de wegen bezig en ik brak mijn voet op straat.’
Om niet ook te huilen nam ik grote slok koffie. Het was wat veel leed voor een ochtend. Ik weet niet wie het schreef maar iemand deed het: ongeluk wordt in ongelijke brokken verdeeld. Geluk waarschijnlijk ook. Ze droogde haar laatste tranen en zei: ‘De enige zon dat is mijn kleinzoon. Hij maakt alles goed.’ En toen zwegen we een poos.           

Als leven je aanpassen is of verzoenen met welk lot dan ook, dan is het zeker ook afscheid nemen. Nog een uur en dan moesten we uit de gastenkamer zijn. Zonder die tijd af te wachten gingen we. Met mijn jas al aan sloeg ik de bedden dicht zoals we ze hadden aangetroffen. Al zouden er in de middag andere gasten komen en de lakens worden verschoond. Als het erom gaat er te zijn, waarom zou je het dan willen doen lijken alsof je er nooit bent geweest? Hopelijk kon de vrouw het waarderen.

Omdat de muzikanten geplaagd werden door een jetlag, hadden we nog niets te zoeken in het kasteel. We bezochten Avignon. Maar de beroemde koude mistralwind waaide en maakte het toerisme minder aangenaam. Op het terras van Hotel L ‘Horloge, achter een windscherm in de zon, las ik het eind van Joseph Roth’s reportage.
Hij schreef: ‘Zal de wereld er ooit uitzien als Avignon? Hoe dom is de angst van bepaalde staten, zelfs als ze Europees gezind zijn, dat de ‘eigen aard’ verloren zou gaan en dat de kleurrijke mensheid één grijze soep zou worden! Maar mensen zijn geen kleuren, en de wereld is geen schilderspalet! Hoe meer vermenging, hoe sterker de eigen aard! Ik zal deze prachtige wereld niet meer meemaken…’  ‘…als ik op de Place de l’Horloge in Avginon zit en alle rassen van de wereld zie verschijnen in het gezicht van een agent, een bedelaar of een kelner. Dan bereiken we het hoogste stadium van de humanité. En humanité is de cultuur van de Provence, van wie de grootste dichter Mistral ooit verbaasd antwoordde op de vraag van een geleerde welke rassen in dit deel van het land wonen: ‘Rassen? Maar er is maar één zon!’  
Zo’n honderd jaar na Roth keek ik op van het boek en naar de Place de l’Horloge. Er was niets veranderd en alles leek nog even waar. Maar op mijn beurt zou ik me ook af kunnen vragen of de tijd nog eens aanbreekt die diversiteit omarmt.

Later, terug bij het kasteel las ik verbaasd op een plaquette aan de muur dat een van de dichters die hier ooit hadden gewerkt Frederic Mistral was. Er is maar één zon, zei hij. De gastvrouw met de zachte handen had haar kleinzoon deze ochtend de zon genoemd. Net als Roth vestigde de vrouw haar hoop op een volgende generatie, denk ik.